Alle berichten van Henk Adriani

Wanneer begint de kanariekweek

KWEKEN MET (KLEUR)KANARIES!

Wanneer begint de kanariekweek?

Deze vraag wordt tijdens de vele lezingen die ik jaarlijks houd, vaak gesteld.

Mijn antwoord is altijd, vandaag!

Natuurlijk niet het antwoordt dat de vraagsteller op dat moment verwacht en terecht ook want hij kan er niets mee. Maar ik wil ermee aangeven, dat de voorbereiding op de kweek eigenlijk een doorlopend proces moet zijn, wat niet ergens stopt.

Het nest met jonge vogels.

Een belangrijk begin van de kweek.

Is het een nest waarin voldoende jongen aanwezig zijn?

Hoe groeien ze?

Zijn er achterblijver?

Zien ze er gezond uit?

Na hoeveel dagen moeten ze geringd worden.

De antwoorden op deze vragen behoren genoteerd te worden in uw kweekadministratie, naast wat u opschrijft over de eigenschappen van het ouderpaar.

Want het is natuurlijk niet alleen de kleur die door de ouders wordt doorgegeven aan de jongen, ook deze eigenschappen komen in uw toekomstig kweekmateriaal terecht.

Het opgroeien van de jongen.

Ook een periode waarin u van alles moet zien aan uw jonge vogels.

En vergeet het ook niet op te schrijven!

U kent ze allemaal wel vogels die in positieve of negatieve manier opvallen in uw vluchten.

Hoe groeien ze?

Zijn er pikkers bij? (vogels die de veren van andere vogels plukken)

Zijn ze rustig, of vliegen ze als helicopters door de kooien als u in het hok komt?

Belangrijke zaken om te weten als u gaat selecteren voor de kweek.

Waarop letten in de rustperiode.

Voeding.

Een goede kwaliteit zaden. De samenstelling hangt af van de omstandigheden waarin de vogels deze rustperiode worden gehouden.

In een koud hok, zonder verwarming zal een zaadmengeling met meer oliehoudende zaden noodzakelijk zijn dan in een verwarmd hok.

Enkele malen per week een goed eivoer.

Wissel niet steeds van eivoer, maar blijf bij een gekozen merk of merken.

Dagelijks vers drinkwater.

Enkele malen per week badwater, dit water overigens niet te lang laten staan.

Daarnaast enkele malen per week een stukje appel, broccoli of iets dergelijks.

Een schelp sepia, voor de noodzakelijke mineralen is ten zeerste aan te bevelen. Zelf kies ik ervoor om geen sepia op te hangen maar elke keer als ik eivoer geef wat van een schelp af te schrapen en dit toe te voegen aan het eivoer. Dit heb ik van een Limburgse kanariekweker afgekeken, en bevalt prima.

Dat u voor een goede hygiene uw kooien moet zorgen, maar ook uw drinkflesjes en bakjes regelmatig schoon moet maken hoef ik u natuurlijk niet te vertellen

Mannen en poppen van elkaar gescheiden houden, het liefst zo dat ze elkaar niet kunnen zien, alleen maar horen.

Voor veel liefhebbers die klein behuist zijn niet altijd makkelijk te verwezenlijken, maar laat ze in ieder geval niet door elkaar vliegen.

In de rustperiode vindt al de eerste schifting plaats, de vogels die altijd in negatieve zin opvallen, uitvangen en naar de verkoopafdeling laten verhuizen.

Nu komt ook uw kweekadministratie uit de kast en gaat U die vogels uitselecteren waaraan u iets heeft gezien wat u liever niet in uw hok wenst.

Voorbeeld slecht groeien.

Slecht in de bevedering komen.

Etc. etc.

Deze vogels verhuizen ook naar de vlucht met afvallers voor de kweek.

Denk ook aan de positieve zaken die u heeft opgeschreven, want deze vogels maken straks een kans om in de kweek te worden ingezet.

Dus die verdwijnen naar de vlucht voor de kweekkandidaten.

Let op de mannen moeten een goed bevleesde borst hebben, zonder vet te zijn.

De poppen daarentegen mogen wel een laagje vet laten zien.

Zorg ervoor dat u die vogels voor u zelf houdt die op het moment dat ze voor de kweek ingezet worden tenminste 10 maanden oud zijn.

Ook deze informatie haalt u weer uit uw kweekadministratie.

Wanneer start het broedseizoen.

Dat is iets wat u zelf bepaald, heeft alles te maken met hoe u het voor u zelf heeft bedacht, rekening houdend met de leeftijd van de vogels van tenminste 10 maanden.

Voor de één begint het seizoen in januari terwijl een ander pas in maart of april gaat beginnen.

Wel zijn er een aantal zaken waaraan voldaan moet zijn wil je de kweek goed starten.

  • Gebruik alleen gezonde vogels.
  • Zorg ervoor dat bloedluizen geen kans krijgen. (dicht naden en kieren)
  • Behandel de nestbakjes met luiswerende middelen.
  • Knip te lange nagels.
  • Minimaal 14 tot 15 uur licht is noodzakelijk
  • Temperatuur van minimaal 14oCelsius is voldoende.
  • Mannen hebben meer tijd nodig dan poppen om in optimale kweekconditie te komen. Mannen hebben minimaal 6 tot 8 weken nodig, poppen kunnen met 4 weken de broedkooi in.
  • Zelf kies ik ervoor om de mannen 8 weken voor de kweek in 1 keer op 14 uur licht te zetten, de poppen krijgen 3 weken later 14 uur licht.
  • Uiteraard kunt u dit ook doen aan de hand van een goed verlichtingsschema.

Verlichtingsschema.

VERLICHTINGSSCHEMA
 Wintertijd 
DATUMLAMP AANLAMP UITTOATAAL LICHTUREN
6 december 20097.00 uur20.00 uur13 uur
13 december 2009
13 december 20096.45 uur20.00 uur13 uur 15 minuten
20 december 2009
20 december 20096.30 uur20.00 uur13 uur 30 minuten
27 december 2009
27 december 20096.15 uur20.00 uur13 uur 45 minuten
3 januari 2010
3 januari 20106.00 uur20.00 uur14 uur
10 januari 2010
10 januari 20105.45 uur20.00 uur14 uur 15 minuten
17 januari 2010
17 januari 20105.30 uur20.00 uur14 uur 30 minuten
24 januari 2010
24 januari 20105.15 uur20.00 uur14 uur 45 minuten
31 januari 2010
31 januari 20105.00 uur20.00 uur15 uur
7 februari 2010
7 februari 20105.00 uur20.00 uur15 uur
14 februari 2010
START KWEEK
Met de start van de zomertijd de klok niet verzetten.




U kunt bovenstaand schema zelf aanpassen.

In literatuur kwam ik tegen dat met adviseert om te zorgen voor 500 lumen per m2of wel 500 lux.

Het echte broedseizoen start op het moment dat u de vogels van de vluchten laat verhuizen naar de kweekkooien.

De ene liefhebber kiest ervoor om eerst de mannen in de kweekkooien te zetten terwijl een ander ervoor kiest om de poppen eerst op te kooien.

Als u voor de laatste methode kiest plaats de man dan pas bij de pop als deze begint met het maken van een nest.

Kiest u ervoor om eerst de mannen op te kooien zorg er dan voor dat deze goed gewend zijn aan de kooi alvorens de pop bij te plaatsen.

Welke broedmethode kiest u.

Koppelbroed.

De man en de pop blijven gedurende het kweekseizoen samen en zorgen samen voor het grootbrengen van de jongen.

Wisselbroed.

Eén man wordt gebruikt voor meerdere poppen.

Het woord wisselbroed geeft al aan dat de man ingezet wordt bij meerdere poppen. Ook hier kunt u weer verschillend te werk gaan.

Een man bij een pop plaatsen tot het derde eitje is gelegd en hem dan inzetten bij de volgende pop.

Zelf doe ik ´s morgens de man bij de ene pop en ´s avonds bij een andere.

Een methode die mij goed bevalt, zo kan de man op meerdere poppen worden gebruikt.

Overigens vind ik vier poppen zelf voldoende.

Laat de man niet bij de laatste pop, want dan kan dit problemen geven bij de tweede kweekronde.

De poppen brengen in dit geval alleen hun kroost groot.

Wat te doen met de eieren.

Wegnemen.

We nemen in de ochtend het gelegde eitje weg en vervangen dit voor een kunsteitje. Zodra het vierde eitje is gelegd vervangen wij de kunsteitjes weer voor de eigen eieren.

Voordeel de eieren komen na 14 dagen allemaal tegelijk uit.

Zo kunt u precies zien wanneer uw eieren moeten uitkomen.
Voorbeeld:













Eieren teruggelegd bij het 4e ei op 2 januari komen dan uit op 15 janauri.














Broed kalender kanaries voor niet schrikkeljaren
Januari12345678910111213
Januari14151617181920212223242526
Januari/Februari272829303112345678
Februari9101112131415161718192021
Februari/maart22232425262728123456
Maart78910111213141516171819
Maart/April2021222324252627282930311
April234567891011121314
April15161718192021222324252627
April/Mei28293012345678910
Mei11121314151617181920212223
Mei/Juni242526272829303112345
Juni6789101112131415161718
Juni192021222324252627282930















Broed kalender kanaries voor schrikkeljaren
Januari12345678910111213
Januari14151617181920212223242526
Januari/Februari272829303112345678
Februari9101112131415161718192021
Februari/Maart222324252627282912345
Maart6789101112131415161718
Maart19202122232425262728293031
April12345678910111213
April14151617181920212223242526
April/Mei27282930123456789
Mei10111213141516171819202122
Mei/Juni2324252627282930311234
Juni567891011121314151617
Juni18192021222324252627282930

Nadeel, het risico dat er iets gebeurd met de eieren.

Leg de eieren zorgvuldig weg in gemerkte bakjes, bv. zelfde nummer als de broedkooi (goede eieren komen terug in het goede nest) op een laagje zaad. 

Waak voor grote temperatuur schommelingen.

Eieren in het nest laten liggen.

Bij deze methode loopt u het risico dat de poppen al gaan broeden bij het eerste of tweede ei, hierdoor komen de eieren niet gelijktijdig uit.

Hier kan het dus zijn dat er enkele dagen leeftijdsverschil in de jongen zit, u begrijpt waarschijnlijk dat de laatst uitgekomen jongen zo weinig overlevingskansen hebben.

Na een dag of 6 kun je de eieren schouwen om te zien of ze bevrucht zijn.

Je kunt hiervoor het best een schouwlampje gebruiken om de eieren te doorlichten.

Of het ei bevrucht is zie je aan de kleur (donkerder) en aan de bloedvaatjes die je in het ei kunt waarnemen.

Een onbevrucht ei is blank van kleur en je ziet er niets inzitten.

Ook de ligging van bevruchte eieren in het nest is anders, let hier eens op.

Wat te doen met onbevruchte eieren.

Hier lopen de meningen over uiteen. De een vind dat je de eieren meteen weg kunt halen en de pop na ongeveer 10 dagen opnieuw een nestkastje geven.

Anderen vinden dat je de pop de periode moet laten uitzitten.

Ik weet niet wat het beste is.

Zelf kies ik ervoor om de pop 14 dagen te laten zitten, dan de eieren weg te nemen en enkele dagen later opnieuw een nestkast te geven.

Geef je te snel een nieuw kastje, dan gaat de pop opnieuw zitten broeden.

Deze methode bevalt mij prima.

Nestcontrole ja of nee.

Ja dus.

Je hebt zo snel in de gaten of er iets mis is en de kanariepop kan het hebben.

Op deze manier wen je de pop aan regelmatige controle, iets dat zeker nodig is als de eieren zijn uitgekomen.

Je ziet zo snel of er een dood jong in het nest aanwezig is en kunt deze meteen verwijderen, hiermee voorkom je andere ellende en ziekte.

Ook heb je sneller in de gaten of er meer levende wezens in het nest aanwezig zijn dan allen de kanarie jongen.

Ik heb het dan uiteraard over de door de kanarieliefhebbers gevreesde bloed- of zwarte luis. Beide een ramp in het broedseizoen.

Alleen hierover zijn de laatste jaren al wat artikelen verschenen. Wat ik wel om mij heen hoor en zie is een groter wordend bestrijdingsprobleem. Steeds vaker moet men terugvallen op steeds agressievere bestrijdingsmiddelen.

Wees voorzichtig met de middelen die u gebruikt, want veel van deze producten zijn schadelijk voor uw eigen gezondheid.

Wanneer komen de eieren uit en hoe dan te handelen.

De eieren komen uit na ongeveer 14 dagen.

Vaak zie al eischalen in de zaadbakjes liggen of op de boden van de kweekkooi. Voor u een signaal om eens een nestcontrole uit te voeren.

Noteer wat u ziet.

Datum van het uitkomen, hoeveel eieren zijn er uitgekomen.

De jonge vogels hebben voor de eerste 24 uur voldoende voer mee gekregen uit het ei, dit moet eerst worden opgemaakt alvorens zacht eivoer te verstrekken. 

De dagen daarna blijven controleren of er nog eieren uitgekomen zijn. Laat de eieren die niet uitkomen liggen in het nest, geeft steun aan de jonge vogels en voorkomt het platzitten van de kwetsbare jonge vogels.

Als de genoemde 24 uur voorbij zijn gaat u beginnen met het geven van kleine hoeveelheden eivoer.

Geef liever enkele malen daags een kleine hoeveelheid dan 1x daags de portie voor de gehele dag, zeker in de zomertijd is het eivoer snel zuur.

Dagelijks kijken en vergeet ook nu niet om weer alles wat u van belang vindt op te schrijven in het kweekboek.

Ringen.

Kanaries ringen wij met 2,9 of 3 mm. In sommige gevallen en zeker bij de schimmel vogels wordt al 3.2 mm gebruikt.

Het beste moment van ringen is als u ziet dat de jongen hun ontlasting buiten het nest proberen te deponeren. Meestal is dat na 6 dagen.

Rein.

Hedwig van der Horst

Samenvatting lezing voor OVO, Zwolle op dinsdag 30 april door dierenarts Mw. Hedwig van de Horst

Hedwig is 25 jaar geleden opgeleid tot dierenarts bij de Faculteit Diergeneeskunde, Utrecht. Zij heeft 5 jaar gewerkt bij de afdeling Vogels en bijzondere dieren (gekwalificeerd specialist vogeldiergeneeskunde). Zij heeft daarna ongeveer 10 jaar in Veldhoven gewerkt bij de papagaaienopvang en is nu ZZP’er in haar praktijk in Riel, net onder Tilburg. Haar gegevens zijn via google te vinden. Het beste is ze te bereiken via de watsapp op 06-54668826 maar je kunt haar ook mailen op vogelpraktijkdehorst@hotmail.com.

De 3 meest voorkomende problemen met vogels werden besproken:

1. Megabacterie (Macrorhabdus ornithogaster) is geen bacterie maar een gist/schimmel achtige ziekteverwekker die met name in de slijmlaagcellen, en klieren van de kliermaag wordt gevonden. 

Klinische verschijnselen: Lusteloos, mager, zitten vaak op de voerbak en eten soms veel, soms slijmbraken, sterk vergrote maag (soms voelbaar onder de ribben, WF). De sterk vergrote maag is een reactie op het verwoestend werk van de megabacterie op de wand van de kliermaag. De (zoutzuur) producerende klieren zijn grotendeels uitgeschakeld waardoor de natuurlijke voorvertering is verstoord. Als gevolg daarvan wordt de opname van voedingsstoffen in het maag-darmkanaal sterk verminderd, waardoor het dier vermagert. Wanneer de verse poep van een verdachte vogel op een stukje folie wordt opgevangen, zijn er gedeeltelijke of zelfs hele zaden zichtbaar (of als je de folie dichtvouwt en samendrukt voelbaar). Onder de microscoop wordt de aanwezigheid van de gist/schimmel staafjes mbv. meerdere (minimaal 3) mestmonsters vastgesteld.

Vanwege de verstoorde zuurbarriere (pH van 0,7-2,4 kan stijgen tot 8-8,4) krijgen andere ziekteverwekkers (bacterie) de kans door te dringen tot in de darmen: Er ontstaat een menginfectie. Onder de microscoop kan door middel van een kleuring van de mest de aanwezigheid van een ziekteverwekkende bacterie al dan niet worden vastgesteld.

Behandeling van de megabacterie kan met Fungizone (1 ml/l H2O gedurende 21 dagen) of met het veel duurdere Itrafungol/Fungitrax (20 ml/l H20). Hedwig begint met Fungizole, mocht dat niet werken omdat er een Fungizone ongevoelige megabacterie stam aanwezig is (er zijn nu 8 stammen bekend) dan wordt alsnog Itrafungol gebruikt met prima resultaten. Itrafungol kan leverontsteking veroorzaken. Deze vloeibare middelen lossen niet op in water maar geven een mengsel waarbij het middel uitzakt op de bodem van het drinkflesje/bassin, dit kan resulteren in slechtere opname en mede daarom is lang kuren vaak nodig. Alternatieven zijn toediening door middel van een kropsonde of door het rul maken van het eivoer met een mengsel van het vloeibare middel en een klein beetje water.

Bij een vastgestelde menginfectie raadt Hedwig een mengsel van het breed spectrum antibioticum amoxicilline resp. enrofloxacine (merknaam: Baytril= Enrox=Orniflox) met Fungizone in drinkwater of eivoer aan. Sulfamiden (zoals ESB 3/4) en tetracyclinen (zoals Solidox) worden onwerkzaam bij menging met Fungizone. Er zal dan steeds om de dag één middel gegeven moeten worden. 

N.B. toevoeging WF: Aangezien de zaadvertering slecht is, is dagelijks voldoende eivoer geven essentieel om het dier weer op te laten knappen omdat ei en rusk wel verteerd kunnen worden. Warmte (middels een ziekte kooi) helpt uiteraard ook om energieverlies door de vogel tegen te gaan zodat het dier volop aan herstel kan werken.

Volgens Hedwig heeft het aanzuren van water met een zuur (appelazijn, citroenzuur, zoutzuur) geen zin TIJDENS een megabacterie infectie, zou zelfs contra productief werken. Zij adviseert desinfectie middelen zoals Aqua clean (1 druppel per 250 ml H2O) en Halamid-d (1 gram/ 5 l H2)) om drinkwater ziektekiem vrij te houden. Dit kan het hele jaar door gegeven worden.

2. Coccidiose/ atoxoplasmose: Dikke lever ziekte in de volksmond.

De lever is soms als een donkere vlek onder de ribboog te zien, want is sterk vergroot. Vaak zijn met name bij coccidiose als dan niet donkere darmlussen door de huis zichtbaar. Diarrhee, bol zitten en magerheid zijn veelvoorkomende (maar niet specifieke WF) symptomen van de aanwezigheid van deze parasieten. De eieren zijn vooral bij coccidiose in de ontlasting met de microscoop aantoonbaar. Bij atoxoplasmose wordt meestal sectie uitgevoerd op een ter plekke gedode of gestorven vogel. Atoxoplasmose parasieten kunnen na histologische kleuring onder de microscoop worden aangetoond als “insluitlichaampjes” in witte bloedcellen. De parasieten verspreiden zich in tegenstelling tot coccidiose parasieten door het hele lichaam. Een bloeduitstrijkje uit afgenomen bloed bij een levende vogel kan daarom ook, wel handig om te weten bij een “onmisbare” vogel (maar is een techniek die alleen aan deskundigen is voorbehouden, WF). 

Behandeling van coccidiose kan met Baycox (kortdurend, maximaal 3 dagen achter elkaar dan tussenpoze wegens nierschade) of een sulfamide zoals ESB3/4 enz. al dan niet gecombineerd met theraprim. 

Behandeling van atoxoplasmose moet vanwege langdurige (lage dosering het hele seizoen of op en af 3-5 dagen met 2 dagen en rust) toediening met een sulfamide (aangevuld met theraprim) worden gedaan. (NB. Pas op! Bij overdosering ontstaan bloedingen, sterfte daardoor vaak wordt tijdens de rustperiode vitaminen toegediend omdat sulfamiden de vitamine K productie stopzetten, WF)

De klinische verschijnselen van de parasieten komen overeen met die voor paratyfus (Salmonella infectie) maar onder de microscoop is deze bacterie aantoonbaar. 

3. Bloedluis en zwarte luis:

Deze kwelgeesten en hun bestrijding zijn tijdens een eerdere lezing door Antoon Tijhuis behandeld (presentatie zie OVO website). Hedwig is net als Antoon voorstander van het inzetten van diverse middelen om resistentie te voorkomen en een gecombineerd effect te bereiken. Hedwig heeft goede ervaringen met Oramec (ivermectine oplosbaar in drinkwater, 5ml/l H2) gedurende 3 dagen) en Frontline (1 druppeltje op de vogel, ook de kuikens mogen behandeld worden) maar raadt dus ook Birdifinect, Finecto, Elector etc. aan.

Na een geanimeerd vragenrondje bedankte de voorzitter Hedwig namens de aanwezigen voor de buitengewoon boeiende, bevlogen en interactieve presentatie. 

Namen OVO wil ik Wouter Florijn de opsteller van deze duidelijke samenvatting heel hartelijk danken.

Namens bestuur OVO “Onder Vrienden Opgericht”

Agaat wit

DE AGAAT WIT.

De agaat is een gemelaniseerde kleurkanarie die in het bezit is van de 1ereductiefactor, deze factor is verantwoordelijk voor de reductie van het bruine phaeomelanine.

Bij deze kleurslag wordt een onderbroken bestrepingspatroon gevraagd in tegenstelling tot de vogels uit de klassieke melanineseries zwart en bruin.

De bestreping moet ook fijner zijn dan de bestreping van de bovengenoemde kleurslagen, wat echter niet inhoud zo fijn mogelijk. Ook hier is het uitgangspunt een zeer goede, duidelijk waarneembare flanktekening, hierdoor zal er in de meeste gevallen een goed rugpatroon ontstaan.

Kort samengevat:

De duidelijke, onderbroken,zwarterug- en flankbestreping moeten contrasteren met een grondkleur vrij van zichtbaar phaeomelanine. Door de werking van de eerste reductiefactor zal de bestreping fijner en onderbroken zijn in tegenstelling tot de zwartserie. Hier wordt als indicatie gegeven dat de bestreping in de agaatserie ongeveer half zo breed is als de bestreping van de overeenkomende vogels in de zwartserie (indicatie verhouding 25/75). Bij schimmels, vogels met witte grondkleur en bij mozaïeken mag de bestreping wat breder zijn dan bij de intensieve vogels. Deze bestreping moet wel onderbroken zijn.

Het is zeker niet de bedoeling dat u gaat meten of de verhouding bestreping, grondkleur klopt, het is een indicatie, dus wat breder en of wat fijner is ook prima, als er maar duidelijke flanktekening aanwezig is.

De bestreping moet beginnen op de kop en via de rug doorlopen in de richting van de staart, ook de flanken moeten een duidelijke bestreping laten zien, deze bestreping moet in harmonie zijn met de rugbestreping.

Het melaninebezit moet beginnen aan de snavelbasis.

De baardtekening mag niet ontbreken.

Melanine onder de snavel welke zich meestal bevindt tussen de baardstrepen bevinden zien wij alseen kwaliteitskenmerk.

Bij de vleugel- en staartpennen en in de dekveren begint het zwarte eumelanine in de gemelaniseerde schacht en strekt zich uit naar de buitenzijde. Alleen aan de vaanzijde van de veer moet de grondkleur zichtbaar zijn. Zichtbaar phaeomelanine is niet toegestaan. Door de melaninereductie ontstaat een lichte omzoming van de vleugel- en staartpennen. Deze omzoming is kenmerkend voor de agaatserie en moet minimaal aanwezig zijn.

De snavel, poten en nagels moeten éénkleurig, maar zeer licht gemelaniseerd.

De grondkleur, duidelijk minder donker dan bij de vogels uit de zwartserie, moet zichtbaar zijn vanaf de kop en doorlopen tot tussen de poten.

De intensief- en optische factor zullen een belangrijke rol spelen om de kleurintensiteit te bepalen. Doch teveel werking van de optische factor zal het geheel te hard maken.

Agaten in het bezit van de ivoorfactor zullen minder contrastrijk zijn.

Standaard Agaat wit

In deze serie onderscheiden we de volgende kleurslagen:

Kleur

Opmerkingen

Agaat wit dominant

Zwarte bestreping. Waarneembare werking van de optische factor. Geen zichtbaar phaeomelanine tussen de bestreping. Bij wit dominant dient waarneembare gele aanslag in de onderste vleugelpennen aanwezig te zijn.

Agaat wit recessief

We maken in de serie agaat wit geen onderscheid tussen intensieve en schimmelvogels.

Voor deze vogels gelden de volgende eisen:

  • Het melaninebezit begint aan de snavelbasis.

  • Duidelijke, onderbroken, zwarte bestreping, beginnend op de kop en via de rug en flanken doorlopend in de richting van de staart.

  • Vleugel- en staartpennen zwart van kleur, zonder zichtbaar phaeomelanine en met een smalle grijze omzoming.

  • Snavel, poten en nagels licht gemelaniseerd en éénkleurig.

  • Grondkleur, egaal en goed waarneembaar.

Waarneembare aanwezigheid van de optische factor zal de helderheid van de kleuruiting ten goede komen.

De agaat wit die wij heden ten dage als standaardvogel beschouwen is duidelijk veranderd de laatste jaren. Het is een prachtige heldere vogel die een grijsachtige grondkleur laat zien tussen de bestreping.

Weet u nog wat we verstaan onder de grondkleur?

Onder grondkleur verstaan we:

De combinatie van de lipochroomkleur, de kleur van het dons en de al of niet zichtbare phaeomelanine.

De huidige agaat wit kanaries, zijn (nagenoeg) vrij van phaeomelanine.

Dus de grondkleur bij een goede agaat wit, is de combinatie van het zwarte dons en de witte lipochroomkleur.

Hierdoor ontstaat er een heldere vogel die tussen de bestreping een grijsachtige grondkleur laat zien.

Op dit moment zien we al agaat witte vogels die naast een goede flanktekening ook borsttekening laten zien.

Dit mag beslist niet gestraft worden, maar moet veel meer gezien worden als een kwaliteits kenmerk van de vogel.

Veel liefhebbers zien in de agaat wit vaak wat men dan noemt mozaïek kenmerken, het witte befje onder de snavel wordt vaak toegeschreven aan mozaïek kenmerken, maar volgens mij heeft het daar niet mee te maken. Volgens mij is de oorzaak dat wij bij de huidige agaat wit het phaeomelanine volledig wegkweken.

Dit lijkt mij juist heel belangrijk, want de 1ereductiefactor zorgt er m.i. voor dat bij de juiste werking de phaeomelanine volledig wordt weggekweekt.

Ook de keelstippen komen meestal voor bij die vogels waar de 1ereductiefactor volledig werkt, meestal de meest heldere vogels.

Een agaat witte vogel,zoals wij die heden ten dage op de wedstrijden zien, komt het best tot zijn recht zonder phaeomelanine en maximaal werkende optische factor.

Weet U wat de optische factor doet in onze kleurkanaries?

  • Zwart eumelanine wordt door de werking van deze factor veel zwarter. (vogels die in het nest nog bruin laten zien en naarmate ze ouder worden steeds helderder en geen bruin meer laten zien zijn in het bezit van de maximaal werkende optische factor)

  • Bruin eumelanine wordt meer grijsbruin van kleur, doet wat kouder aan.

  • Bruin phaeomelanine wordt grijs tot donkergrijs.

  • Beige phaeomelanine wordt grijs tot lichtgrijs van kleur. (heel goed waarneembaar bij de isabel vogels die al vrij helder zijn tussen de bestreping)

  • Geel lipochroom wordt meer groengeel van tint, vroeger sprak men over citroen geel, maar heeft u een citroen wel eens goed bekeken, naarmate hij rijper wordt, wordt hij steeds geler. Volgens mij bedoelde men toen een onrijpe citroen)

  • Rood lipochroom wordt wat harder van tint, krijgt als het ware een violetglans.

  • Bij het ontbreken van lipochroom (wit) zal de vogel een meer witgrijsblauw waasje laten zien.

Samenvatting:

De agaat wit is een heldere vogel met, een onderbroken rugbestreping een duidelijke flanktekening (welke zich bij de topexemplaren al voortzet in de bovenborst en tussen de baardstrepen) en goed waarneembare baardstrepen.

Rein.

De verlichting

(Vertaald uit het artikel “Light and Your Bird” van Patrick R. Trush – USA)
Neem nu eens een momentje voor jezelf en denk na over je dag en wat je die dag dan zo wel hebt gedaan.

Was je thuis, of op je werk, op school, winkelen of uit eten, enz.,? Denk dan ook eens even na over het licht of de verlichting in al die verschillende omgevingen.

Als we onze dagelijkse bezigheden zo de revue laten passeren, zullen we merken dat we daarbij weinig aandacht schenken aan de kwaliteit of de bron van het licht, die onze dagelijkse gang van zaken en onze dagelijkse activiteiten mogelijk maakt.

Simpel gezegd het licht is er gewoon.

Het meeste licht wat we daarbij gebruiken heeft eigenlijk maar weinig te doen met het zonlicht.

Hoewel kunstlicht nodig en van belang is voor onze dagelijkse uit te voeren bezigheden, is echter de oorspronkelijke bron van het licht (c.q. de zon), niet aanwezig in veel ruimtes in het spectrum, die wij toch als uitgebalanceerd c.q. gezond beschouwen.

Mensen zijn daarin tegen flexibele wezens.

Geef ze de juiste voeding en stel ze regelmatig bloot aan zonlicht, dan zijn hun gezondheids problemen die ontstaan bij het gebrek aan natuurlijk daglicht, eerder uitzondering dan regel.

Ons lichaam is namelijk niet afhankelijk van het normale dagelijkse ritme van de zon.

Dit is echter niet het geval bij de meeste dieren en zeker niet bij vogels.

In het wild gaan de dieren af op de cyclus van de zon en de cyclus van de seizoenen en regelen daarmee vervolgens hun biologische klok en stofwisseling.

Het is de zon, de kwaliteit van het licht en de daglengte, die het stadium van voortplanting, de trek, de rui en hun dagelijkse leefpatroon bepaalt.

Vogels hebben een sterk ontwikkeld gevoel voor licht.

Wij als mensen nemen het licht waar door onze ogen.

Onze gevederde vrienden hebben via een speciale klier rondom hun ogen een extra manier om het licht te interpreteren.

Dit orgaan de “Harderian Glands” (traanklieren) genoemd, werken in combinatie met het licht dat een vogel door zijn ogen ontvangt en daarmee weer van invloed is op de klieren in de hersenen die de groei en ontwikkeling regelen bij warmbloedige dieren.

Wisseling in de sterkte en de kleursamenstelling van het licht, dienen om de vogel voor te bereiden op seizoen wisselingen en het broed gedrag dienaangaande.

Als zodanig werkend als de nauwkeurige regeling van een vogel zijn dagklok/dagritme.

Een tweede aandachtspunt betreft de invloed van het zonlicht op de gezondheid van het dier.

De ultraviolette straling van het zonlicht werkt samen met het natuurlijke immuun systeem en versterkt dit vervolgens om de vogel te beschermen tegen ziektekiemen.

Het ultraviolet daarin helpt daarbij om de vogel te beschermen tegen uitwendige ziektekiemen (virussen en bacteriën). Daarnaast stimuleert de hoeveelheid en verscheidenheid aan licht de psyche van het dier om hem biologische te laten weten hoever het staat met zijn natuurlijke omgeving en het in elkaar overgaan van activiteiten, die een deel van zijn ritme zijn van de wereld waarin dat dier leeft.

Veel dieren gebruiken ook het zgn. middensegment van het UV licht, voor het aanmaken van Vitamine D.

Via dit proces maakt de lever een chemische stof aan die bekend staat als het goede choleresterol “voorganger D” (7 – Dehydrocholesterol).

Deze stof komt vrij in de bloedsomloop welke dan via de huid of via het netvlies van het oog wordt blootgesteld aan het middensegment van het UV, waar het dan wordt omgezet in “previtamin D”.

Dit wordt soms verward met D2 (calciferol), een vorm van vitamine die zijn oorsprong vindt in planten.

De natuurlijke temperatuur van een organisme rangschikt deze stof dan verder, vormt daarbij een zwak D3 of “cholecalciferol”.

Dit is dezelfde stof die gebruikelijk ook aanwezig is als voedingssupplement in vogelpellets.

Om volledig actief vitamine D te worden, maken de lever en de nieren veranderingen aan in de chemische stof, met als resultaat echte vitamine D3 (1,25 dihydroxycholecaciferol).

Zodra echter om het even ook welk warmbloedig dier kennis heeft gemaakt met een bron van calciferol of cholecalciferol, speelt UV of wat dan ook, geen rol meer in b.g. systeem van omzetting van UV naar vitamine D.

Dit is duidelijk het geval bij nachtdieren of dieren die zich verbergen (ondergronds leven), daardoor niet aan UV worden blootgesteld, maar voldoende evenwichtige vitamine D verkrijgen via hun natuurlijke voedselbron.

Het gezichtsvermogen van vogels is geheel verschillend t.o.v. dat van ons mensen.

Wij zijn in staat om de drie verschillende en voornaamste kleurdimensies te zien.

Dit wordt een driekleurig gezichtvermogen genoemd. Vogels hebben nog een andere dimensie in hun gezichtsvermogen. Vogels kunnen ook goed zien in het nauw verwante UV gebied.

Voor ons zou het zijn alsof er een vierde voorname kleurdimensie zou zijn.

Dit wordt een vierkleurig gezichtsvermogen genoemd. Deze extra dimensie om UV te kunnen onderscheiden/zien geeft veel voordeel in hun gezichtsvermogen, daardoor kunnen vogels andere vogels, voedsel, hun vijanden en de juiste richting van waar uit het licht komt zien.

Er is wat onderzoek gedaan bij vogels, dat aantoont dat deze mogelijkheid van waarneming wordt gebruikt bij het navigatiesysteem.

We weten nu dat het zonlicht een viervoudige functie heeft in het leven van vogels: het regelt hun stofwisselingsklok en hun inzicht in seizoenswisselingen; de volledige dimensie van zonlicht wordt meestal gebruikt bij hun zicht (gezichtsvermogen); het is van belang voor de gezondheid en welzijn van dieren; en het voorziet in de benodigde vitamines, voorziet in de behoeftes voor hun beenderen en voorziet in hun fysieke ontwikkeling.

Het is deze combinatie van factoren die een vogel in staat stelt om op de meest natuurlijke wijze te overleven en zijn soort voort te planten c.q. in stand te houden.

Dit systeem is dan ook geïmplanteerd in de genetische opmaak van vogels.

Laten we nu eens nadenken over de kooivogels.

Indien gehouden in een buiten volière dan is hiervoor geen verdere discussie over de noodzaak van kunstlicht nodig.

Maar de werkelijkheid is dat een groot deel van de kooivogels binnen wordt gehouden, onderworpen aan het weinige licht, waar wij mensen aan gewend zijn.

Als zodanig alle belangrijke factoren missend die in bovenstaande alinea’s zijn omschreven.

Om een zo natuurlijk en gezond mogelijke omgeving voor onze vogels te creeren is het gebruik van kunstlicht daarbij noodzakelijk. We gaan dan nu ook kennismaken met de enigszins verwarrende wereld van “Full spectrum (FS)” verlichting.

Tegen gesteld aan diverse beweringen/stellingen kunnen alleen fluorescent lampen (TL buizen) maar “full spectrum” zijn.

Door de basisfysica (het natuurkundig beginsel) van gloeilampen, produceren deze onvoldoende spectraal gamma om zonlicht te kunnen nabootsen.

Bepaalde type gloeilampen die gecoat zijn met een laag lanthanid ( een scheikundig zeldzaam aardmetaal) worden ook wel “neodymium” lampen genoemd, hiervan wordt geclaimd dat deze “full spectrum” zijn, maar dat zijn ze niet.

Deze lampen filteren slechts de lagere rode golflengtes uit het licht van de gloeilamp, waardoor het voor het menselijke oog lijkt alsof het licht dan witter is.

Door het verminderen van lagere golflengtes worden niet de cruciale stralingscomponenten afgegeven die nodig zijn voor de broedcyclus en voor de celweefsel activiteiten.

Dit soort lampen zijn noch gezond of geschikt voor je vogels.

Fluorescent lampen/TL buizen kunnen alleen “full spectrum” genoemd worden als ze een “CRI ( color rendition index)” groter dan 90 en een “Colour Temperature” groter dan 5000K hebben.

Hieronder een tabel waarin de gebruikelijke “full spectrum” TL buizen worden getoond, die geschikt zijn voor gebruik in vogelruimtes oftewel in vogel kweekruimtes.

(FLUORESCENT) oftewel TL BUIZEN GESCHIKT VOOR VOGELS

(FLUORESCENT) oftewel TL BUIZEN GESCHIKT VOOR VOGELS
Lamp/buis type Color Temperature CRI Fabrikant
SPECIAAL “FULL SPECTRUM”
TL950 Series 5000 K 98 Philips
bioLIGHT LT48BE8 5000 K 98 OTT bioLightsystems
Lumichrome 1XC 5000 K 96 Lumiram
Vita Lite Supreme 5500 K 96 Duro-Test
ALGEMEEN “FULL SPECTRUM”
Colortone 50 5000 K 92 Philips
Vita Lite Plus 5500 K 91 Duro-Test
Chroma 50 5000 K 90 General Electric

Alle bovengenoemde TL buizen kunnen worden gebruikt in lengtes van 600 of 1200mm.

Het is in verband met de langst mogelijke branduren/standtijd aan te bevelen om buizen te gebruiken met een CRI van 92 of hoger.

Door het verouderingsproces van TL buizen is het echter raadzaam om na c.a. 9000 branduren (± 2 jaar) ze te vervangen.

De TL buizen behoeven dan niet weggegooid te worden, deze zijn namelijk nog zeer goed te gebruiken voor normaal huishoudelijk gebruik.

Het maakt niet uit welke lengte buis je gebruikt, maar het moeten er altijd twee (2) zijn.

Een enkele armatuur oftewel die met maar één (1) TL buis, geeft namelijk niet voldoende licht om voor de vogels echt nuttig of heilzaam te zijn.

Indien mogelijk monteer dan je TL armatuur(en) tegen het plafond, dat is het meest natuurgetrouw. Bevestig ze alleen aan de muur als het i.v.m. de kooi constructies niet anders kan.

De meest optimale afstand tussen de bovenkant van de kooi(en )en het verlichtingsarmatuur is tussen de 300mm – 450mm.

Een kleinere afstand tussen de bovenkant van de kooi(en) en de TL verlichting is niet aan te bevelen en is mogelijk zelfs nadelig voor kooivogels.

Plafondmontage houdt twee belangrijke dingen in:

Ten eerste, Het licht schijnt naar beneden, idem zoals buiten in de natuur en zorgt ervoor dat de vogel het licht waarneemt als komend vanuit een natuurlijke richting (dus van boven af).

De op deze wijze door het licht geleverde prikkels zijn een hint (teken) die de hersens van de vogel verwacht oftewel nodig heeft, om de cyclus en het daarbij behorende gedrag te bepalen.

Het zorgt daarbij ook nog voor een goede verspreiding van het licht, zichtbaar als zowel onzichtbaar in de kooien.

Objecten worden op deze manier evenredig verlicht en worden zodoende beter zichtbaar.

Ten tweede, Het is eenvoudiger om de lichtsterkte die de kooien bereikt, te regelen.

Te helder licht is geen goede zaak. Als de ruimte voor u te licht lijkt, dan is dat waarschijnlijk ook zo.

De regels oftewel het ervaren van comfortabele licht, zijn voor een mens gelijk aan die voor een vogel. Gebruik die regels dan ook.

Het grond beginsel van het kunstlicht betreft daglicht.

Over het daglicht is in de begin van dit artikel reeds omschreven, dat het daglicht ritme de interne biologische klok van vogels regelt.

De noodzaak van en behoefte aan daglicht voor hun biologische klok wordt niet aangetast als vogels binnen worden gehouden, ook niet na generaties van binnen gekweekte vogels.

Daarom is het ook van het grootste belang dat je de kooivogels blootstel aan een goed en geregeld c.q. regelmatig lichtschema/(ritme).

Dit is dan ook de reden waarom de verlichting in je vogelverblijf met een schakelklok geregeld dient te worden.

Zo’n systeem met een schakelklok garandeert dat de vogels elke dag de benodigde oftewel de gewenste hoeveelheid licht krijgen.

De meeste vogelhouders zullen dan ook merken dat na een aantal weken na de start van het regelen van het licht met een schakelklok, de vogels in staat zijn om hierop te anticiperen en al gauw aanvoelen wanneer het licht aan-, of uitgaat en daar hun leefritme betreffende dag en of nacht op aanpassen.

Door de bank genomen hebben vogels per dag 10 tot 14 uur licht nodig.

Voor vogels die niet broeden is dat gemiddeld zo’n 12 uur.

Het is altijd het beste de timer van je schakelklok zo in te stellen dat het licht één (1) uur na zonsopgang aangaat en één (1) vóór zonsondergang weer uitgaat.

Het stelt de vogels zodoende in staat om ’s morgens op gang te komen en ’s avonds zich voor te bereiden voor de nachtrust.

Het is ook beter om het natuurlijke dag/nacht ritme proberen te evenaren en de vogels dit te laten ervaren. Uiteraard moeten de instellingen van de schakelklok ook aangepast worden i.v.m. de seizoenswijzigingen m.b.t. de zonsopgang en zonsondergang en het verminderen van de daglicht periode.

Indien het voor het een of ander nodig is om de vogels voor het licht af te schermen (bijv in een huiskamer), dan is het aan te bevelen om hiervoor dan een dun materiaal te nemen dat enigszins wat licht doorlaat voor als het licht weer aangaat.

Zo’n afscherming dient als het licht aangaat, zo snel mogelijk te worden verwijderd en pas weer worden teruggeplaatst als dat voor de vogel ’s avonds weer nodig is.

Alhoewel de meeste “full spectrum” verlichting voldoende middensegment UV straling afgeeft voor Vitamine D aanmaak, verliest het echter veel van die eigenschap bij het ouder worden van die verlichting c.q. TL buis.

Vanuit dit oogpunt gezien is het daarom van veel meer belang om je vogels een kwalitatief uitgebalanceerde voeding te geven met daarbij als extra de benodigde Vitamine D inhoudende voedingssupplementen.

Deze Vitamine D supplementen worden zoals wettelijk verplicht op de verpakking van de betreffende voedingssupplementen vermeld, zodat je dit ook kan controleren.

Ook het geven van wat groenvoer of visolie alszijnde Vitamine D leveranciers, voorzien enigszins in hun behoefte aan Vitamine D.

!!!!!! Al de verlichting op de wereld compenseert nooit een slechte voeding.!!!!!!

Verwacht niet dat er een soort verlichting is die in de Vitamine D behoefte van je vogels voorziet.

Als je voor het eerst “full spectrum” verlichting in gebruik neemt, lijkt het misschien alsof de hoeveelheid licht niet voldoende is in vergelijking met de standaard fluorescent (TL) verlichting.

De oorzaak hiervan is dat wij mensen namelijk niet zo goed als dat de vogels dat kunnen, de rode en de violette stralingen zien.

Daarom lijkt het voor ons alsof “full spectrum” verlichting een blauwe kleur heeft en voor ons alszijnde een optische illusie die minder helder is als wanneer je een dergelijk soort standaard TL buis zou gebruiken.

Je zal echter wel merken dat de kleuren helderder zijn, de scherpte van het zicht toeneemt en bij langdurige blootstelling aan dat licht, de vermoeidheid van de ogen minder is.

Maar wees er zeker van dat in zo’n omgeving je vogels beter zien dan u.

Uw vogels zijn grotendeels van u afhankelijk, zowel fysiek (lichamelijk) als mentaal (geestelijk). Als u de aanbevelingen/richtlijnen van dit artikel volgt, dan kan u er gerust van zijn dat u in ieder geval u uiterste best doet om uw vogels van een uitgebalanceerde en juiste verlichting te voorzien.

Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat licht of in ons geval de verlichting een belangrijke rol speelt in het leven van vogels in gevangenschap oftewel kooivogels.

Met het toepassen van een goed en dus gezond verlichtingsschema werkt u mee aan veel fijne en gezonde jaren voor en met uw vogels.

Salmonella

Salmonella is een bacterie die zich nestelt in de darmen van vogels en zoogdieren inclusief de mens.

Er zijn erg veel verschillende typen van de Salmonella bacterie bekend.

De meeste typen Salmonella zijn ook in staat andere dieren te besmetten.

Ook zijn er een paar uitzonderingen die alleen pluimvee kunnen besmetten.

Salmonella Enteritidis en Typhimurium kunnen ook mensen besmetten bij consumptie van kippeneieren of -vlees en leiden tot voedselvergiftiging.

Besmetting en gevolgen van Salmonella

Kanarie’s kunnen vrij gemakkelijk besmet raken met Salmonella.

De bacterie kan overleven op veel oppervlakken en vervolgens een kanarie besmetten.

Besmetting verloopt vrijwel altijd oraal door het op- of aanpikken van besmet materiaal.

Dit kan besmet voer zijn, maar ook mest, grond, stof of zelfs gebruiksmateriaal.

De Salmonella bacterie kan gemakkelijk met de mens meereizen op stof op de kleren, in het haar of mest onder de schoenen.

Ook kan de bacterie aanwezig zijn op bijvoorbeeld gereedschap, kratten of voerbakken.

Een andere belangrijke besmettingsbron is ongedierte.

Muizen, ratten en kevers zijn bekende verspreiders van de Salmonella bacterie.

Ook katten en honden kunnen de bacterie overbrengen op elkaar en op andere dieren.

Tenslotte kan een pop Salmonella overdragen door besmetting van de eieren tijdens de ontwikkeling.

Kanaries kunnen ernstig ziek worden als gevolg van een besmetting met Salmonella.

In ernstige gevallen kan de vogel sterven als gevolg van Salmonella. Daarnaast kan de bacterie gemakkelijk worden overgedragen op andere vogels via de ontlasting.

De bacterie nestelt zich in de darmen van vogels.

Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium kunnen daarnaast ook in de bloedbaan terecht komen.

Het gevolg hiervan is, dat de bacterie bijvoorbeeld in de spieren of de eieren van de kanarie terecht kan komen.

Symptomen van Salmonella

Als gevolg van een besmetting met Salmonella kunnen er duidelijke symptomen waarneembaar zijn bij kanaries.

De symptomen ontstaan bij de meeste types van Salmonella al binnen 24 uur na besmetting.

Het ziekteverloop is niet goed vergelijkbaar met dat bij de mens. Kanaries met Salmonella krijgen last van waterige diarree.

De ontlasting zit vol met bacteriën.

Kanaries worden suf en inactief .

Af en toe ontstaan er ontstekingen in de ogen.

Met name zeer jonge vogels kunnen ernstig ziek worden.

Oudere vogels hebben bij de meeste typen van Salmonella minder of zelfs geen symptomen.

De typen Salmonella Pullorum en Gallinarum zorgen meestal ook bij oudere dieren voor ziekteverschijnselen.

De sterfte ligt bij een infectie met één van deze twee typen daarnaast veel hoger dan bij bijvoorbeeld Enteritidis.

De typen Pullorum en Gallinarum komen echter zelden voor in Nederland.

Salmonella behandelen

Vogels kunnen behandeld worden met antibiotica.

Antibiotica is alleen te verkrijgen op recept van de dierenarts.

Welk antibioticum gebruikt wordt, hangt af van het type Salmonella. Dit kan worden vastgesteld op basis van laboratoriumonderzoek van de ontlasting.

De dierenarts schrijft vervolgens een specifiek antibioticum voor. Het is van groot belang dat de antibioticakuur volledig afgemaakt wordt, om het ontstaan van resistentie tegen te gaan.

Salmonella voorkomen

Omdat de Salmonella bacterie op veel verschillende manieren bij de kanarie terecht kan komen, is besmetting nooit volledig te voorkomen.

Door het toepassen van een goede hygiëne kan de kans op besmetting wel aanzienlijk verkleind worden.

Salmonella kan gemakkelijk met de mens meereizen.

Door de kleren en schoenen schoon te houden, kan besmetting voorkomen worden.

Ook is het belangrijk om alle gebruiksvoorwerpen regelmatig grondig te reinigen voerbakken en drinkbakjes dagelijks .

Tenslotte moet de kooi of hok goed schoon gehouden worden.

De darmflora en het immuunsysteem versterken
Kanaries met een goede darmflora en een sterk immuunsysteem raken minder snel besmet met Salmonella of andere ziekten.

Onderzoek vogelgriep

Onderzoek vogelgriep
Nieuwsbrief NBvV
nummer 1 jaargang 2017

NBVV Nieuwsbrief

De gevolgen van vogelgriep 2016/2017

Het risico op het uitbreken van vogelgriep is afgenomen, landelijke maatregelen zoals de ophok- en afschermplicht zijn ingetrokken.
Toch is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er niets meer aan de hand is.
We moeten alert blijven op het waarnemen van verschijnselen die kunnen duiden op vogelgriep.
Inmiddels is in de Europese landen o.a. op initiatief van C.O.M. mondiale een onderzoek gestart naar de gevolgen van vogelgriep voor de hobbymatige houders van en fokkers met vogels als gezelschapsdieren.

Ook in Nederland is, als bijdrage aan dat Europees project, een dergelijk onderzoek opgestart.
Aan de Nederlandse houders van en fokkers met vogels leggen de onderzoekers u de volgende vragen voor:
a. Bij welke houderijorganisatie bent u aangesloten: NBvV, BEC, PS, KLN, Aviornis, Pakara of anders?
b. In welke provincie woont u?
c. Welke nadelige gevolgen heeft u zelf ondervonden ten gevolge van de uitbraak van vogelgriep in uw omgeving?
d. Zijn in uw vogelverblijfplaatsen vogels aantoonbaar gestorven aan een besmetting met vogelgriep?
Zo ja, welke vogelsoorten betroffen dit?
Wat was de leeftijd van de getroffen vogels?
e. Welke preventieve maatregelen heeft u genomen om een besmetting in uw vogelverblijven te voorkomen?
f. Heeft u voorstellen die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de genomen preventieve maatregelen?
Aan de organisatoren van tijdelijke tentoonstellingen, vogelmarkten en vogelbeurzen leggen de onderzoekers onder- staande vragen voor:
In welke provincie vond uw evenement plaats?
Kon uw tentoonstelling, vogelmarkt of vogelbeurs door gaan?
Welke maatregelen heeft u getroffen om insleep van besmetting te beperken?
Welke nadelige gevolgen heeft u als organisator ondervonden, die rechtstreeks het gevolg zijn van de landelijke preventieve maatregelen?
Hoe kunnen die nadelige gevolgen worden voorkomen?

Als u een bijdrage wilt leveren aan het in kaart brengen van de gevolgen van vogelgriep in 2016 en begin 2017, wilt u dan uw antwoorden mailen naar vogelgrieponderzoek17@gmail.com

Mede met behulp van uw antwoorden en adviezen zal in de komende maanden een uniform protocol worden opgesteld.
Hierin zullen alle maatregelen worden verzameld die van toepassing zijn op het beperken en zo mogelijk voorkomen van een uitbraak van vogelgriep onder hobbymatig gehouden vogels als gezelschapsdieren.
Dit protocol zal een goede aanvulling kunnen zijn op het draaiboek dat van overheidswege al is geschreven voor hou- ders van commercieel pluimvee en watervogels.